Een veelgebruikte vuistregel is dat je maximaal ongeveer de helft van je netto-inkomen aan vaste lasten besteedt. De bekendste manier om dat te bekijken is de 50/30/20-regel: 50 procent voor je vaste lasten en andere noodzakelijke uitgaven, 30 procent voor wensen en 20 procent voor sparen en het aflossen van schulden. Het is een richtlijn, geen wet - voor veel mensen valt het percentage hoger uit, en dat is niet meteen een probleem.
De 50/30/20-regel uitgelegd
De 50/30/20-regel verdeelt je netto maandinkomen in drie delen:
- 50 procent noodzakelijke uitgaven - vaste lasten zoals huur, energie, verzekeringen en boodschappen.
- 30 procent wensen - uitgaan, abonnementen die je niet strikt nodig hebt, hobby’s en vakanties.
- 20 procent sparen en aflossen - je spaarbuffer opbouwen of schulden versneld afbetalen.
Een rekenvoorbeeld met een netto-inkomen van 2.800 euro per maand:
- Noodzakelijke uitgaven: 50 procent = 1.400 euro
- Wensen: 30 procent = 840 euro
- Sparen en aflossen: 20 procent = 560 euro
Blijf je binnen die 1.400 euro voor het noodzakelijke deel, dan zit je op koers. Kom je erboven, dan gaat dat ten koste van je wensen of je spaargeld.
Wat valt onder “noodzakelijk” en wat onder “wensen”?
Het onderscheid is niet altijd zwart-wit, maar de kern is duidelijk. Onder noodzakelijk vallen de kosten die je moeilijk kunt schrappen: je woonlasten, energie en water, je zorgverzekering en boodschappen. Dit zijn grotendeels je vaste lasten plus de onmisbare variabele kosten.
Onder wensen vallen de uitgaven die je leven leuker maken maar die je in een krappe maand kunt overslaan: streamingdiensten, uit eten, een tweede vakantie of nieuwe kleding die je niet echt nodig hebt. Een sportschoolabonnement dat je trouw gebruikt kun je noodzakelijk noemen; eentje dat al maanden ongebruikt afschrijft hoort bij de wensen - of bij je opzegbrief.
Wanneer de regel niet past
De 50/30/20-regel komt uit een tijd en een land met andere woonlasten dan Nederland nu kent. Door de hoge huren is 50 procent voor veel mensen simpelweg niet haalbaar. Een alleenstaande in een grote stad zit vaak op 60 procent of meer, puur door de huur.
Dat betekent niet dat je iets fout doet. Zie de regel als een ijkpunt, niet als een norm waaraan je moet voldoen. Zit je hoger, pas de verhouding dan aan je situatie aan in plaats van in paniek te raken. Misschien wordt het bij jou 60/25/15, en dat is prima zolang je elke maand nog iets kunt sparen.
Wat te doen als je erboven zit
Zit je structureel boven de 50 procent en knelt het, begin dan bij de grootste posten. Daar valt de meeste winst te halen:
- Woonlasten - de grootste knop, maar ook de moeilijkste. Verhuizen of een woning delen heeft de meeste impact.
- Energie - vergelijk je contract en check of je niet te veel betaalt.
- Verzekeringen en abonnementen - hier zitten vaak dubbele of ongebruikte posten.
Houd bij alles wat je erbij neemt een marge aan: reken op minstens ongeveer 10 procent van je netto-inkomen dat vrij blijft voordat je een nieuwe maandelijkse verplichting aangaat. Twijfel je of een nieuwe uitgave past, gebruik dan de kan-ik-dit-betalen-calculator. Die rekent voor of er na de nieuwe last genoeg overblijft.
Zo vind je je eigen percentage
Je eigen percentage bereken je in twee stappen. Tel eerst al je vaste lasten per maand bij elkaar op (deel jaarlijkse bedragen door twaalf). Deel dat totaal daarna door je netto maandinkomen en vermenigvuldig met honderd.
Rekent 1.400 euro aan vaste lasten bij een inkomen van 2.800 euro? Dan zit je op precies 50 procent.
Wil je dit niet met de hand doen? Met de gratis calculator van VasteLast zet je al je vaste lasten op een rij en zie je direct je maandtotaal en een verdeling per categorie. Vergelijk dat vervolgens met het gemiddelde van vergelijkbare huishoudens om te zien of je hoog of laag zit. Zo weet je binnen een paar minuten waar je staat - zonder account en zonder advertenties.